Een uniform staat voor veel, maar niet voor vrijheid

TeunColumns & verhalen

Een stuk of tien opgerolde jeansbroeken

‘Uniform of the free.’ Deze wonderlijke tekst staat op een gebouw langs de ring van Amsterdam. Het is een reclame voor klerenmerk ­­G-star. Elke keer als ik er gezeten op mijn bijrijdersstoel langsrijd, beginnen mijn hersenen te malen: zou de sloganbakker de innerlijke tegenstrijdigheid van zijn boodschap inzien? Of heeft hij het juist zo bedoeld, om verwarring te zaaien, de gedachten en gesprekken op gang te brengen en zich zo te nestelen in mijn hoofd? Die reclamelui zijn niet zo dom als ze eruitzien.

Maar het dóét iets met je!

Er zijn mensen die zeggen dat kunst goede kunst is als het iets teweegbrengt. Ook als je een schilderij afschuwelijk lelijk vindt, is het goede kunst. Juist dan, want het dóét iets met je! Ik weet het niet. Discussies over wat kunst is en wanneer kunst goede kunst is, zijn doorgaans stomvervelend. Voor reclame geldt het wel: een irritant deuntje, een domme slogan – als het in je kop blijft zitten heeft de reclamemaker al half gewonnen. Het merk heeft bezit van je genomen.

Uniform(iteit)

Maar nu die slogan. Een uniform is nuttig. Een politieagent, stewardess of caissière zou onherkenbaar zijn zonder zo’n kledingstuk. Een uniform zorgt voor eenheid en herkenbaarheid. Vaak verlangt de baas van een organisatie dat zijn personeel zo’n pak draagt. Ook strikte voorschriften hoe zo’n outfit te dragen, zijn niet ongewoon: geen hakken, wel hakken, een das, geen das, noem maar op. De allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie wordt (met reden) ondergeschikt gemaakt aan de organisatie. Talrijk zijn de filmscènes waarin iemand aan het eind van een werkdag of na een conflict met de baas zijn uniform uittrekt, het lekkere dagelijkse kloffie aantrekt, de haren losgooit en al dan niet op een motorfiets de vrijheid tegemoet gaat. Een uniform staat voor veel, maar niet voor vrijheid.

Vrij zijn in een uniform van G-Star?

Waarom G-star de vrije vogels een uniform wil aansmeren, begrijp ik wel. Als iedereen die van zijn baas geen uniform hoeft te dragen, een G-staruniform koopt, dan maakt het bedrijf astronomische winsten. Maar waarom zouden de rebellen, de vrije geesten, de losbollen, de pierewaaiers en de uitvreters, de schilders, de muzikanten, de dichters, de lifters en the Dudes een uniform willen? Ziet u het voor zich: al deze mensen in een verantwoord hip tuniekje van G-star? Wij zijn vrij en daarom dragen we allemaal G-star! Daar voelen de ‘free’ zich toch veel te vrij voor?

De vrije mens is een kuddedier

Hoewel. Misschien doet G-star aan verholen maatschappijkritiek. Toen Europa verdeeld was in Oost en West en midden in Berlijn een hoge muur stond, hadden de mensen in het communistische Oosten niets en wij in het vrije Westen hadden alles. Je kon beter hier leven dan daar. Maar als je naar de kleren keek was er een gekke overeenkomst: in het Oostblok droegen de mensen door een gebrek aan keuze allemaal dezelfde spijkerbroeken. En bij ons, waar de keuze overweldigend was? Daar droegen de mensen ook allemaal spijkerbroeken! En nu nog. Je kunt wijzen op een rits hier en een scheur daar, maar uiteindelijk is het allemaal één fantasieloze pot nat. We dragen allemaal hetzelfde.

Spijkerbroekenmaker G-star zegt: ook de vrije mens is een kuddedier dat in vrijheid voor een uniform kiest.

Afbeelding: Michaela, at home in Germany

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal