Composteerbaar klinkt leuk, maar je bewijst het milieu er geen dienst mee

TeunColumns & verhalen

Stel je hebt een kinderfeestje of een picknick in het park en je wilt een beetje verantwoord uit de hoek komen. Dan zou je je zomaar aangetrokken kunnen voelen tot bekertjes, bordjes en messen die zijn gemaakt van bioplastic – dus niet van aardolie, maar van bijvoorbeeld mais of rietsuiker.

‘100 procent composteerbaar’

Geen fossiele brandstoffen, dus goed voor het milieu. Vaak worden ze ook nog aangeprezen als ‘100 procent composteerbaar’. Dat is helemaal mooi want dan vergaan ze dus vanzelf, net als blaadjes, eierschalen en groenteschillen. Geen zwerfvuil en geen plasticsoep dus. Met die gedachte zou je zelfs in de verleiding kunnen komen het hele composteerbare servies na de picknick gewoon in de bosjes te mikken.

Precies dat vertelde een verkoper van composteerbare wegwerpregenjassen –hoe bedenk je het – mij aan de telefoon: dat je de plastic jasjes na gebruik gewoon in de berm zou kunnen slingeren. Ze zouden vanzelf ontbinden in factoren.

Flauwekul

Dat is niet alleen asociaal, maar ook flauwekul. Al die composteerbare producten – dit geldt ook voor de verpakkingen van bioplastic die je wel in de supermarkt aantreft – vergaan niet vanzelf in de vrije natuur. Het is gewoon zwerfvuil dat de natuur ontsiert en waar vogels en andere dieren in kunnen stikken.

Ook op de eigen composthoop in de tuin vergaat het spul niet goed. Bedrijven zien het begrip ‘composteerbaar’ kennelijk anders dan de argeloze consument. Hun verpakkingen composteren onder normale omstandigheden niet zoals tuinafval en groente- en fruitresten.

Slechts in theorie composteerbaar

Maar vanwaar dan die claim ‘100 procent composteerbaar’? Dit is een beetje gek. Bedrijven die deze claim hanteren, baseren zich op een Europese norm die zegt dat een product binnen twaalf weken moet vergaan in een professionele compostinstallatie. Waar die twaalf weken vandaan komen, is volstrekt onduidelijk. Hier in Nederland draaien die compostinstallaties bijvoorbeeld helemaal niet zo lang. Een cyclus waarin van groente- fruit- en tuinafval compost wordt gemaakt, is vier tot zes weken lang. Dan is het zwarte goud klaar om over de tuin te worden gestrooid.

De industrie werkt dus met een norm die niet aansluit op de praktijk. Hun verpakkingen zijn in de theorie composteerbaar, maar in de praktijk niet. Je moet ze dus ook niet bij het gft aanbieden. De afvalverwerkers verbranden de bioplastics. Dat weten die fabrikanten zelf ook wel, maar als ze klanten een goed gevoel kunnen geven en er zelf geld aan kunnen verdienen, waarom zou je dan slapende honden wakker maken?

Neem je eigen beker mee

Veel bedrijven hebben verantwoorde, composteerbare koffiebekertjes. Wij bij de omroep ook. We doen ze in een aparte afvalbak en ze worden gescheiden aangeleverd. Voor het televisieprogramma De Monitor, dat maandag wordt uitgezonden, onderzochten we wat ermee gebeurt. Wat blijkt? De afvalverwerker gooit de zorgvuldig gescheiden bekertjes bij het restafval en verbrandt ze.

Het kan nog erger: de Rijksoverheid denkt haar afbreekbare bekertjes – 85 miljoen per jaar! – op een verantwoorde manier te laten verwerken. Er zou wc-papier van worden gemaakt. Maar wat blijkt nu? Ze gaan gewoon de oven in. Volgens afvalverwerker Renewi omdat de bekers ‘te vies’ zijn. De overheid is geschokt door deze ontdekking en wil nog niet op het nieuws reageren, omdat het nog ‘te vers’ is.

Composteerbaar klinkt leuk, maar je hebt er weinig aan. Neem allemaal een eigen beker mee naar je werk, gebruik hem jaren en je bewijst het milieu pas echt een dienst.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Diepvriesspinazie van Iglo: viezer dan vies

TeunColumns & verhalen

spinazie diepvries

Wat is dat toch met die diepvriesjongens? Nu Iglo weer, dat reclame maakt met de slogan ‘Verser dan vers’. Dat slaat nergens op en is ontzettend stom.

Mijn dochter – uiteraard totaal niet geïndoctrineerd door haar vader met een marketingfetisj – gilt het uit als de malle reclame voorbijkomt: ‘Wie bedenkt zoiets? Diepvries is toch niet vers?’ En zo is het. Dat weten we allemaal. En voor wie het nog niet weet, pak ik – dat heb ik in mijn columnistenbestaan nog nooit eerder gedaan, de Van Dale er maar eens bij: ‘Nieuw, fris, pas gegroeid, uitgekomen enz. (…) ook als tegenstelling tot geconserveerd of bevroren.’ Duidelijke taal: bevroren en vers zijn tegenpolen.

Diepvriesjongens

Maar die diepvriesjongens willen er niet aan. Heb ik u weleens verteld over die man van de Botswana Meat Company die gehakt verkocht aan Albert Heijn van twee jaar oud? Het was ingevroren en werd vervolgens ontdooid en als vers in de winkel verkocht. De vleeshandelaar vond het heel normaal: ‘Het vlees is vers, dan bevries je het en is het even niet vers, maar als je het dan ontdooit, is het weer vers.’ Geen speld tussen te krijgen.

Ook mooi was de man die ik voor deze rubriek belde over zijn warme appeltaart uit de diepvries. Ook hartstikke vers. Toen ik, conform Van Dale zei dat iets wat bevroren is toch per definitie niet vers is, antwoordde hij: ‘Dat is de perceptie die ik bij de mensen wil wegnemen.’

Verser dan vers!

De jongens en meisjes van de diepvriesindustrie zijn behept met een flink minderwaardigheidscomplex. Ze willen uitgerekend dat zijn, wat ze niet kúnnen zijn: vers. Dat heeft iets sneus. Oh, wat balen ze van al die groenten en vruchten die naakt in de winkel liggen zonder fatsoenlijk pak, blik of glas om zich heen. Waarom mogen zij zich wel vers noemen en wij niet? Dat is toch niet eerlijk?

Weet je wat, we noemen onze ingevroren waar gewoon lekker toch vers. Nee, wacht, nog beter, verser dan vers! Dus niet net van de boom, maar nog aan de boom! Onrijp.

Diepvriesspinazie is gore groene diarree

Iglo heeft er nog een aardige redenering bij bedacht. Groente in de winkel is vaak al een paar dagen onderweg en is dus niet meer heel vers als hij eenmaal in de winkel ligt. Terwijl de Iglogroente meteen na de oogst wordt geblancheerd (kort gekookt) en ingevroren. Daardoor blijven de voedingswaarden behouden. Maar dat is nog niet vers!

Door dat blancheren en invriezen verandert de structuur van de groente. Verser dan vers is het al helemaal niet. Neem dan de sperziebonen uit mijn volkstuin. Direct na het plukken koken. Zo vers en zo lekker, daar kun je niks mee vergelijken. Zeker niet die slappe diepvriesboontjes.

Diepvriesspinazie van Iglo: viezer dan vies

In de reclame gaat het over spinazie. Het allerslechtste diepvriesproduct dat er bestaat. Het heeft werkelijk niks met verse spinazie te maken. Gore groene diarree. Ik denk dat veel kinderen spinazie vies vinden, omdat ze alleen de diepvriesvariant kennen. Terwijl verse spinazie, niet suf gekookt, maar even gebakken in de olijfolie met knoflook en afgeblust met een beetje citroensap overheerlijk is.

Diepvriesspinazie van Iglo: viezer dan vies.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Veel mensen zelfscannen verkeerd

TeunColumns & verhalen

streepjescode

Zelfscannen in de supermarkt is helemaal niet moeilijk. Elk kind dat de was kan doen, zou het moeten kunnen. Toch zijn er mensen die er niks van bakken. Die niet begrijpen wat het doel is van de hele zelfscanoperatie: zo snel mogelijk met de boodschappen buiten de winkel staan en voorkomen dat je in de rij moet staan.

Het zelfscannen blijkt uitermate populair bij de dooie-akkertjesfiguren

In een ideale wereld heb je rijen voor de kassa (in een echt ideale wereld heb je die natuurlijk niet, maar u begrijpt mij) en stroomt het bij de zelfscanners lekker door. Bliep bliep, betalen met de pinkaart, korte bon en de supermarkt uit. Snel en pijnloos.

Helaas is de wereld niet ideaal. Het zelfscannen blijkt uitermate populair bij de dooie-akkertjesfiguren. Van die types die ook wel eens werken in hippe koffiezaakjes. Die na een bestelling héél rustig, na eerst nog even door de playlist te hebben gescrold om de juiste beat voor de juiste mood te vinden en uitgebreid het weekend door te hebben genomen met een collega of langskomende vriend, je koffie maakt om die ietwat geïrriteerd over de hinderlijke onderbreking van de eigen belangrijke besognes naar je tafel te sloffen.

(Let op: in de meeste koffiezaakjes werken uitermate energieke en klantvriendelijke toppers, dus niet allemaal ingezonden brieven sturen nu).

Alles op het dooie akkertje.

Eén voor één alles scannen

Zo doen de scanbeten het ook. Ze arriveren bij de scanapparaten met een grote kar boodschappen die ze daar tergend langzaam één voor één uithalen en scannen. Bliep na bliep na motherf*cking bliep.

Daarna worden al die boodschappen met dezelfde zelfvoldane air van kan-mij-het-allemaal-schelen-dat-anderen-wachten traag in tassen gedaan. Het zal wel mindful zijn, maar voor de scanpro is het gekmakend.

Intussen wordt de rij almaar langer. Langer dan bij de kassa’s. Niet verwonderlijk, want die jongens en meisjes achter de kassa zijn professionals. In de tijd dat zo’n slome duikelaar één pak sojamelk heeft gescand, heeft een beetje caissière ook nog de kipstuckjes, de hummus en de pot olijven machinaal afgevinkt.

Als je per se wilt dat elk artikel aan het eind van je supermarktbezoek nog langs de scanner gaat, ga dan in de rij voor de kassa staan. Dat is sneller voor jezelf, maar vooral ook voor de klanten die wel weten hoe het moet.

Scannen op niveau is echt niet moeilijk

Terwijl scannen op niveau echt niet moeilijk is. Je gaat de winkel in en haalt je tas tevoorschijn. Met je bonuskaart of telefoon pak je een scanpistool (zo heet dat) en elke keer dat je een artikel uit de schappen haalt, dan scan je het en stop je het meteen in je tas.

Zo ga je al bliepend door de winkel. Je hebt geen mandje of wagentje nodig en als je uiteindelijk bij de uitgang aankomt, dan zit alles al gebliept in je tas. Je hangt het scanpistool in de houder, houdt de bonuskaart of mobiele telefoon tegen de zelfscanner en nadat het bedrag in beeld is verschenen, pin je en ben je klaar. Met de kassabon verlaat je de winkel.

Dat duurt nog geen twee minuten. Als iedereen het zo doet, zijn er geen rijen bij de zelfscanners. Doe dat nou.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Naamsverandering Eindhoven Centraal is dure megalomane onzin

TeunColumns & verhalen

Station Eindhoven Centraal cc afbeelding R/DV/RS

Vanaf deze plek wil ik de gemeente, excuus, de metropóól Eindhoven van harte feliciteren met de nieuwe naam van haar station: Eindhoven Centraal. Wauw! Dat klinkt toch wel even anders dan het oude, volstrekt van allure gespeende ‘Eindhoven’.

Wat moesten ze in het buitenland wel niet denken toen ze ontdekten dat deze stad niet eens een centraal station had? Miljoenen toeristen hebben de stad gemeden en honderden bedrijven hebben zich toch maar niet in de stad gevestigd toen ze erachter kwamen. Het kon daar nooit hip and happening zijn.

Eindelijk Eindhoven Centraal

Maar dat wordt nu allemaal anders. Sinds vorige week heeft Eindhoven eindelijk een Centraal Station. De naamsverandering kost een ton, maar dat interesseert burgemeester John Jorritsma niet: ‘Achteraf kun je altijd zeggen dat iets geld heeft gekost, maar wat het opbrengt, daar praat nooit iemand over.’ Zo is het, John.

En wat levert het dan op? ‘Dit brengt uitstraling en dynamiek voor deze stad. De erkenning van een metropool. Waar ik ook in de wereld kom, over Eindhoven spreekt iedereen. Daar hoort een Centraal Station bij.’ Zou het?

Ik heb nog nooit iemand over Eindhoven horen praten

Niet om onaardig te zijn, maar ik ben ook op best veel plekken in de wereld geweest, maar ik heb nog nooit iemand over Eindhoven horen praten. Nooit!

Zou het kunnen dat mensen over de hele wereld vooral over Eindhoven praten als ze een meeting met de burgemeester van Eindhoven hebben? Of zou de beste man werkelijk denken dat ze in Beijing, Boston en Bombay ook als hij er niet is voortdurend hooglopende discussies hebben over amazing Eindhoven?: ‘But did you know Eindhoven doesn’t have a Central Station?’ ‘What, that’s impossible! It’s a metropole!’

Megalomane onzin

Zo’n naamsverandering is natuurlijk dure megalomane onzin. Maar gelukkig voor de bestuurders is er altijd wel een minkukel met een flauwekulbaan die ze gelijk geeft. Neem Robert Jan Heyning van Naambureau The Nameworks over de naamsverandering: ‘Het geeft de stad wat meer internationale status. Het suggereert ook dat er meerdere stations zijn, waarmee gevoelsmatig de stad groter wordt.’

En communicatieadviseur Martijn Schenning, toen Arnhem zijn station centraal mocht noemen: ‘Arnhem wil waarschijnlijk grootstedelijke ambities uitdragen met deze naam. Ze zoeken aansluiting bij de andere grote steden met deze naam.’ Grote steden als Londen en Parijs, lieve communicatievrienden? Daar hebben ze niet eens een Centraal Station. Is dat niet fnuikend voor hun uitstraling, dynamiek en grootstedelijke ambities?

Calimero-gedrag

Ook in Amsterdam kennen ze dergelijk Calimero-gedrag. De goeie ouwe Stadsschouwburg moest twee jaar geleden plotseling een naam krijgen met allure. Het werd ITA, Internationaal Theater Amsterdam. Een naam als een Wereldtijdschrift, opgeklopt, maar zonder kraak of smaak.

De uitleg is weer prachtig: ‘De naam toont dat we theater maken en programmeren in en vanuit Amsterdam binnen een internationale context.’ Juist. Alsof je het woord ‘internationaal’ nodig hebt om internationaal te zijn. Kleingeestig provinciaal is het. De Volksbühne in Berlijn, de Scala in Milaan, The Old Vic in Londen en Carnegie Hall in New York, iedereen weet ze te vinden. En het Concertgebouw ook.

Er is hoop

Maar er is hoop. Eind vorig jaar mochten bewoners stemmen over een nieuwe naam voor het Osdorpplein in Amsterdam. Die moest anders, vonden bestuurders. Op in de vaart der volkeren! Wat kozen de bewoners? Osdorpplein! Burgers geven minder om holle marketing dan hun bestuurders met grootheidswaanzin.

CC-afbeelding: R/DV/RS

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Help, ik ben telefoonverslaafd!

TeunColumns & verhalen

telefoonverslaafd social media

Mijn naam is Teun van de Keuken en ik ben verslaafd aan mijn mobiel. Ergens wist ik dit al een tijdje, maar pas sinds deze week erken ik mijn probleem en durf ik er ook voor uit te komen.

Dat ging zo. Geregeld zie ik mijn dochters op hun schermpjes turen en daardoor niet doen wat ze zouden moeten doen: huiswerk maken, bijvoorbeeld. Of uit het raam turen en al dagdromend de hersenen rust gunnen. Soms zit zo’n meid nog tot heel laat achter de schoolboeken, doordat eerder op de dag kostbare tijd is vermorst met filmpjes op YouTube, appen met vriendinnen en TikTok. Zonde van de tijd, zonde van de creativiteit en zonde van de productiviteit.

Schermtijden

Na heel veel ad-hocmaatregelen (‘doe dat apparaat weg!’) hebben we schermtijden ingesteld. Niet alleen in woord, maar ook in daad, op de telefoon. Als de limiet wordt gehaald, gaat het mobieltje in coma en kan er niks meer mee worden gedaan.

Daar zitten wel een paar haken en ogen aan, want bij de simpele schermtijdbeperking vraagt de telefoon, zodra de coma bijna dreigt in te treden, of je tóch niet ietsje langer wil appen, filmpjes kijken of tiktokken. Dat is net zoiets als een alcoholist, die heeft verkondigd nooit meer te zullen drinken, een borrel voor zijn neus te zetten en te vragen of hij zeker weet dat hij niks meer wil drinken. Dat werkt niet. Gelukkig kun je ook dieper in het systeem en dit soort perverse prikkels uitschakelen.

Telefoonverslaafd

Maar nu ik. Al dat gepraat over schermtijd maakte mij nieuwsgierig naar mijn eigen mobielgebruik. Wat bleek? De afgelopen week had ik gemiddeld zes uur per dag op mijn telefoon gezeten! Zes uur! Dit lijkt mij problematisch. Wat doe ik dan op dat scherm? Twitteren, appen en kranten lezen (naast de Volkskrant vooral sport- en entertainmentnieuws). Gedachteloos.

Overmatig smartphonegebruik kan volgens onderzoekers van de universiteit van Seoul vervelende gevolgen hebben, zoals een verslechterd geheugen, verminderd concentratievermogen en zelfs sociale angst en depressie. Studie en werk lijden eronder, omdat de telefoonverslaafde voortdurend naar zijn telefoon grijpt uit angst iets te missen. Waardoor hij dus van alles mist van het college dat hij bijwoont of de vergadering waar hij aan deelneemt. Omdat de studie zo klein is, moeten de conclusies volgens de wetenschappers zelf met een korreltje zout worden genomen, maar ze sluiten wel aan bij ander wetenschappelijk onderzoek.

Gedachteloosheid

Wat ik vooral beangstigend vind is de gedachteloosheid waarmee ik naar mijn telefoon grijp. Voor mijn gevoel zit ik heus niet uren achter elkaar op mijn mobiel, maar kennelijk tellen al die (tientallen, honderden?) keren dat ik dat apparaat pak uiteindelijk op tot vele uren per dag.

Hopelijk leidt werkelijk inzicht in mijn gedrag tot verandering van dit gedrag. Mindful worden in plaats van mindless.

Het is hetzelfde met voeding. Toen ik onlangs een week lang bijhield wat ik at, bleek dat veel meer te zijn dan ik dacht. Al die koekjes bij de koffie tellen toch. Nu staan bijna alle apps op mijn telefoon helemaal uitgeschakeld, behalve WhatsApp (wie kan zonder?) en de echt noodzakelijke zoals de reisplanner. Gisteren zat ik nog geen uur op mijn telefoon. Tien minuten daarvan had ik besteed aan het checken van mijn schermtijd.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Boycot het buffet: goed tegen overgewicht en voedselverspilling

TeunColumns & verhalen

Buffet diner eten

Na het geschrans van de kerstdagen en het brandend maagzuur van de oliebollen en champagne van Oud en Nieuw is het nu tijd voor de nieuwjaarsbuffetten. Horeca bieden ze aan, vaak wederom met een zuuropwekkend glaasje bubbels en ook werkgevers zien het buffet als een goede manier om het nieuwe jaar op een informele manier met hun medewerkers in te luiden.

Op lange tafels staan metalen bakken op spiritusbranders te wachten op de rij die voorbijtrekt: ‘met aardappels of met rijst?’ Er zijn uitzonderingen, maar vaak is het eten aan de lauwe kant en nooit echt lekker. Maar hé, wel gezellig om zo aan het begin van het nieuwe jaar een vorkje weg te prikken met de collegaatjes, toch?

Horecageheimen met Anthony Bourdain

De onvolprezen Anthony Bourdain, die met Kitchen Confidential het beste en leukste boek over voedsel en de restaurantbusiness ooit heeft geschreven – koop en lees het! – geeft in het hoofdstuk From our kitchen to your table enkele geheimen prijs over de versheid van voedsel dat je buiten de deur eet.

Zo zijn restaurants met vieze wc’s niet te vertrouwen (kun je je voorstellen hoe het met de hygiëne in de keuken is gesteld), is vis op maandag vaak al bijna een week oud en bieden gerechten als shepherds pie (ovenschotel met lamsvlees en aardappelpuree) en chili con carne uitgelezen mogelijkheden voor restaurateurs om oude restjes te verwerken.

Tip: in restaurants draait alles om de omloopsnelheid. Zie je in een zaak de ene na de andere chilischotel uit de keuken komen, dan weet je dat dit voedsel niet de tijd heeft gehad om op te warmen tot een microbiologische bom. Maar vis bestellen in een matig lopend vleesrestaurant is een slecht idee.

Alarmbellen voor de zondagse brunch

En dan is er nog de zondagse brunch. Het buffet voor de zondag. Daarmee moet je volgens Bourdain uitkijken. Om een paar redenen: de goede chefs hebben gekookt op vrijdag en zaterdag en zijn niet aanwezig op de zondag. Dan kookt het B-team, zonder veel toezicht.

In die brunch worden alle restjes gebruikt: ‘Buzzword here, ‘Brunch menu’. Translation? Old nasty odds and ends.’ Als vis niet als filet of in zijn geheel wordt geserveerd, maar verwerkt in een gerecht, zoals een frittata (omelet) of een salade met mayonaise of vinaigrette, dan moeten de alarmbellen afgaan. Zo kan bederf gemaskeerd worden.

Dat met het buffetvoedsel gesjoemeld kan worden, wil niet zeggen dat het ook gebeurt. De meeste buffetkoks zullen vast schoon en eerlijk werken. Als gast goed nadenken wat je kiest en het komt vast goed.

Buffet werkt overeten en voedselverspilling in de hand

Maar er zijn meer problemen met buffetten. Ze werken overeten en voedselverspilling in de hand. Hoeveel mensen beschouwen zo’n buffet niet als een uitgelezen all you can eat-gelegenheid. Een keer betalen en drie rondjes halen. Zo krijg je makkelijk meer binnen dan je nodig hebt. En dus de verspilling.

Ooit vertelde een grote cateraar mij dat er van die buffetten ongelooflijk veel wordt weggegooid, omdat er van tevoren heel moeilijk is in te schatten hoeveel de gasten gaan eten. Je wil niet dat die drie-keer-halers zorgen voor lege borden bij de andere gasten. Zijn oplossing, ook voor feesten en partijen: laat mensen van tevoren een keuze maken uit drie gerechten en geef hen gewoon een bord met eten. Één bord. Goed tegen overgewicht en voedselverspilling.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Schaamte is niet productief en vaak hypocriet

TeunColumns & verhalen

schaamte vrouw handen

‘-schaamte’ is het ‘Onze Taal-woord’ van het jaar 2019 geworden. Ik heb daar moeite mee. Is een woord dat begint met een streepje wel een echt woord?

Alle vormen van schaamte

Vorig jaar heeft ‘vliegschaamte’ het verloren van ‘laadpaalklever’ en dat zinde de schaamtelobby niet. Daarom heeft ze dit jaar meteen maar alle vormen van schaamte genomineerd. Het spreekt rottig uit: ‘Streepje schaamte’. Dat ‘Onze Taal- woord’, ook met streepje, misschien houden die taalkundigen daar gewoon heel erg van, bekt ook al niet echt lekker. Maar goed, de mensen van Onze Taal zullen er wel verstand van hebben.

Ik weet wat schaamte is

En nu die schaamte zelf. Die is niet productief, vaak hypocriet en lang niet altijd oprecht. Ik weet wat schaamte is. Schaamte is een diep gevoel dat er iets mis is met jezelf. Als kind had ik een gruwelijke vorm van eczeem. Mijn handen zaten vol met bloederige kloven die er eng en onsmakelijk uitzagen. Altijd had ik mijn mouwen over mijn handen getrokken, zodat niemand die mismaakte gevallen hoefde te zien. Als ik iemand toch een hand moest geven, stelde ik mij voor als ‘Teun hetisnietbesmettelijkhoor’. Ik was een freak. Ik schaamde mij.

Zo zijn er veel mensen die zich schamen. Omdat ze niet in een zwempak durven omdat ze dikker zijn dan anderen, omdat ze acné hebben, omdat ze stotteren; omdat ze anders zijn dan de meeste mensen. Je hoeft je voor deze zaken niet schamen, maar veel mensen doen het toch. Dat zit diep.

-schaamte is een aflaat, een schaamlap

-schaamte is iets heel anders. –schaamte is iets heel graag willen doen, zoals vliegen of vlees eten, maar het gevoel hebben dat je omgeving dat niet meer helemaal in orde vindt. Dan roep je heel snel even ‘vleesschaamte!’ of ‘vliegschaamte!’ en je gaat over tot de orde van de dag. Er verandert niets. ‘-schaamte’ is een aflaat, een schaamlap.

Hypocriet is het ook. In de meesterlijke rubriek Schuim, in Het Parool, waarin Hans van der Beek dagelijks feestjes bezoekt, ruilden mensen snel een pizza met salami om voor een vegetarische variant toen Hans met zijn camera kwam aanzetten. Wel vlees eten, maar er niet mee gekiekt willen worden. Hoe wordt de wereld daar beter van?

Verantwoordelijkheid

Op de een of andere manier is het idee ontstaan dat het individu, de consument, in zijn eentje verantwoordelijk is voor de rotzooi in de wereld. Dat wij alleen zelf de problemen kunnen oplossen door het juiste te kopen en de rommel te laten staan. Dat is niet effectief, want mobiliseer maar eens miljoenen/miljarden individuen om het goede te doen. Het is ook niet eerlijk. Het geeft bedrijven een vrijbrief oneerlijke waar op de markt te brengen ‘omdat de consument het wil’. Zouden ze ook afgehakte kindervingertjes verkopen als er vraag naar was? Neem ook je eigen verantwoordelijkheid, bedrijven. 

Daarnaast hebben we de politiek nodig. Die moet ervoor zorgen dat groente en fruit goedkoper worden (draai die btw-verhoging terug) en vlees duurder. Die moet een redelijke belasting op kerosine invoeren voor de luchtvaartindustrie en supersnelle treinverbindingen door Europa aanleggen. Als én de consumenten, het bedrijfsleven én de politiek zich inzetten voor een mooie, eerlijke en schone wereld, dan komen we er wel.

Ik wens u een prachtig, schaamteloos 2020!

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Hoe voorkom je kerststress? Doe als de Engelsen

TeunColumns & verhalen

kerststress kerstdiner

Het is kort dag, maar toch ga ik u vertellen hoe u zonder stress de kerstdagen kunt doorkomen. Bij veel mensen gieren de zenuwen door het lijf in deze periode: bij wie moet je eten en voor wie moet je koken? En vooral: wat moet je koken? Voor je het weet sta je uren in de keuken, heb je stijve kaken van de valse glimlach terwijl je de nare grapjes van oom Leo negeert en zijn er spanningen die er net niet of net wel uitkomen.

De kerststress is in Engeland volledig afwezig

Mijn advies: doe als de Engelsen. Dit advies strekt overigens niet verder dan hun kerstviering, want voor de rest zijn ze volslagen idioot op dat malle eiland. Ik ga nu al zo’n zeventien jaar in de kerstvakantie met mijn van oorsprong Britse vrouw naar haar familie in Hertfordshire, in een fijn huis in het glooiend landschap tussen Oxford en Londen. 

De stress is daar volledig afwezig. Waarom? Omdat daar altijd alles exact hetzelfde gaat. Als gewoontedier (‘creature of habit’) dat angstig wordt van verrassingen, is dat fijn. In de loop van de ochtend komt iedereen in pyjama of kamerjas bij de kerstboom zitten. Er wordt sterke Engelse thee met melk geserveerd met mince pies en shortbread. In moordend tempo worden de cadeaus uitgepakt – die niet door de Kerstman maar gewoon door Pete of Fiona gegeven zijn. Iedereen feliciteert elkaar met zijn cadeaus – ‘You’ve done well this year!’ – en rond het middaguur gaan de kaplaarzen (Wellington) aan voor een wandeling door de velden.

Hetzelfde als altijd

Om een uur of vier/vijf gaat iedereen aan tafel. Wat staat er op het menu? Hetzelfde als altijd: ‘Turkey with all the trimmings’, gevulde kalkoen met alle bijgerechten: roast potatoes (ovenaardappels), roast parsnips (pastinaak uit de oven) en honey glazed carrots (geglaceerde wortels met honing en tijm), spruitjes – mijn zwager hakt ze très modern fijn en doet ze in de wok – in spek gerolde worstjes en goeie vette  jus. Aan het eind van het diner gaat het licht uit en wordt de geflambeerde Christmas pudding binnengebracht. Ieder jaar weer.

Heel Engeland eet dit. Daarom wordt elk jaar jaar opnieuw in de kerstspecials van kranten en televisieprogramma’s uitgelegd hoe je de beste kalkoen en de perfecte roast potatoes moet maken. Andere recepten hebben geen zin, want die willen de mensen niet.

Kalkoenen worden maanden van tevoren gereserveerd bij slagers en supermarkten. Die arme beesten worden met miljoenen tegelijk alleen maar vetgemest voor dit ene feest. Iedere Brit die ik ernaar vraag, geeft zelfs toe kalkoen niet bijzonder lekker te vinden. Ze eten het nooit buiten kersttijd. Maar het hoort er nu eenmaal bij.

Weg kerststress: maak iets makkelijks dat je beheerst

Zo’n massavleesproductie voor één feest is pervers. We moeten sowieso minder vlees eten. Dus dat is niet de les van de Engelsen. Maar onze malle overzeese buren hebben één ding wel goed begrepen: als je elk jaar hetzelfde maakt, dan word je op een gegeven moment minder gestrest over de bereidingswijze. Je hebt het onder de knie. En dan kun je je meer op je gasten richten.

Probeer dus niet te verrassen met moeilijke nieuwe gerechten, maar maak iets makkelijks dat je beheerst. Ik zou dolblij zijn met een goede stamppot van een gezellige, ontspannen gastheer. Met genoeg heerlijke wijn erbij. Proost! En fijne kerst!

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Het desempoeder van Robèrt van Beckhoven voldoet niet aan zijn eigen strenge eisen

TeunColumns & verhalen

zuurdesembrood brood

Wat heerlijk dat Heel Holland Bakt weer terug is. In deze donkere dagen voor kerst, die in het huidige gure klimaat nog donkerder lijken dan normaal, is zo’n in alle opzichten warm programma meer dan welkom.

En dan heb ik het niet alleen over de toon van het programma en de sympathieke manier waarop kandidaten met elkaar omgaan, maar ook over de hitte in de tent. Heel Holland Bakt is in de zomer opgenomen. Bij de kandidaten staan de zweetdruppels op het voorhoofd en af en toe smelt een baksel weg nog voor de jury het heeft kunnen beoordelen.

Robèrt van Beckhoven

Die jury is heel erg goed. Janny en Robèrt zijn voor mij de echte sterren van het programma. Wat weten die mensen ongelooflijk veel van koekjes, taart en brood. Als zij iets proeven – vork gaat in de taart, vork gaat in de mond, kandidaat kijkt nerveus toe, jury proeft net iets te lang om de spanning op te bouwen en zegt ‘lekker’ of ‘hier houd ik wel van’ en de kandidaat is blij – dan weten ze waarover ze het hebben.

En dan vooral Robèrt. Janny heeft heus wel verstand van zaken, ze was ooit hoofdredacteur van Tip Culinair, maar aan Robèrts kennis kan zij niet tippen. Robèrt is namelijk én meester-boulanger én meester-patissier. Die combinatie is heel bijzonder, vindt hij zelf ook: ‘Dat is zeker uniek. Je hebt betere broodbakkers en betere banketbakkers, betere chocolatiers, dan ik, maar de combinatie is uniek.’ 

Robèrt houdt van echt en eerlijk bakken

Robèrt houdt van het ambacht. Van echt en eerlijk bakken. Hij hanteert strenge normen voor zichzelf en voor de bakkers: ‘Ze maken ook nog alles zelf. Er komt niks uit een doosje of een pakje, daar heb ik zeer veel respect voor.’ Met pakjes, zakjes of ander kant-en-klaar spul heeft Robèrt weinig op. Dan beoordeelt hij een taart opeens venijnig met: ‘Een punt van kritiek is: niet te veel zelf gemaakt, zeg maar.’

Gistbrood versus desembrood

Robèrts grote liefde is brood. Hij maakt en verkoopt het ook zelf: ‘We bakken brood zoals duizend jaar geleden. Met een eigen gistcultuur, dat heet dan desem.

In Koffietijd legde hij het verschil uit tussen gewoon gistbrood en desembrood. Bij desembrood laat je water en bloem net zo lang staan tot het spontaan gaat gisten: ‘Dit is natuurlijke gisting. Dat duurt heel lang. Dat duurt 24 uur.’ Maar je kunt ook bakkersgist gebruiken: ‘Daarmee ben je in drieënhalf uur klaar. Maar dan krijg je heel ander brood.’ Geen desembrood dus. Dat smaakt ook anders.

Robèrts desempoeder

Bakkers gebruiken een trucje om gewoon brood als desembrood te kunnen verkopen: desempoeder. Gooi het door je gistdeeg en je brood gaat desemachtig smaken. Gek genoeg mag je het dan ook opeens desem noemen. Het scheelt zeeën van tijd en je kunt toch een lucratief etiket op je brood plakken. Echt desembrood is het natuurlijk niet. 

Wie heeft er nu ook zo’n desempoeder op de markt gebracht? Robèrt! Een desempoeder waar ook gist in zit. Jammer. Van onze strenge meester-boulanger had ik anders verwacht. Juist hij weet dat het soms tijd, aandacht en liefde kost om iets goeds te maken. Daar moet je niet mee marchanderen. Dit product voldoet niet aan de eisen van de meester.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal

Nog steeds doffe ellende in de chocoladewereld

TeunColumns & verhalen

cacaobonen chocolade

Het wil maar niet vlotten met de arbeidsomstandigheden in de chocolade-industrie. Al in 2001 maakten we met Keuringsdienst van waarde programma’s over de misstanden op cacaoplantages in West-Afrika. Er was sprake van ernstige vormen van kinderarbeid, zelfs van slavernij.

Slaafvrije chocolade

2001 was ook het jaar dat de grote cacaobedrijven een protocol ondertekenden om een einde te maken aan deze misstanden. In 2005 bleken de doelstellingen niet gehaald te zijn. Omdat bedrijven niet voldoende deden, besloten wij een eigen chocolademerk te beginnen, Tony’s Chocolonely, om de wereld te tonen dat het mogelijk was slaafvrije chocolade te maken en de misstanden uit de hele industrie te bannen.

Dat laatste is, zo blijkt uit de zogenaamde Cacao Barometer, nog steeds niet gelukt. Het grootste probleem is dat cacaoboeren veel te weinig verdienen: in Ghana en Ivoorkust gemiddeld 0,78 dollar per dag. Hierdoor tiert de kinderarbeid welig: er werken naar schatting 2,1 miljoen kinderen op de cacaoplantages in West-Afrika. Doffe ellende dus.

Pr-offensief van Mondelez?

Hoe denken de chocoladebedrijven dit op te lossen? Opvallend genoeg stond er onlangs zowel in de Volkskrant als in De Standaard een verslag van een bezoek aan een project van Mondelez (producent van onder andere Côte d’or, Toblerone en Milka) in Ghana. Is hier misschien sprake van een klein pr-offensief van de fabrikant?

In dit project, Cocoa Life, worden onder andere landbouwtrainingen en financiële cursussen gegeven om de opbrengst van cacaoplantages te verhogen. Het inkomen van boeren stijgt en kinderen kunnen weer naar school. Mooie verhalen, maar het is te weinig: zo komt maar de helft van de cacao van Mondelez uit dit programma. Waar de andere helft van de cacao vandaan komt en onder welke omstandigheden deze is verbouwd, weet het bedrijf ook niet precies.

Met trainingen alleen lukt het niet. Bedrijven moeten van elke boon weten waar hij vandaan komt en onder welke omstandigheden hij is verbouwd en geoogst. En er moet veel meer geld worden betaald. Zo betaalt Mondelez zijn boeren nu gemiddeld maar een premie van 80 dollar extra per ton cacao. Bij Fairtrade is dat 200 dollar. 

Basisbehoeften

Zelfs dat is nog te laag, vindt Max Havelaar-directeur Peter d’Angremond. In OneWorld pleit hij ervoor boeren genoeg te betalen om in hun basisbehoeften te voorzien: ‘Denk aan voedsel, huisvesting, kleding, medische zorg, scholing, transport en een financiële buffer.’ Hiervoor zou een boer in Ivoorkust bijna 5 duizend euro per jaar moeten verdienen. Cacao zou dan zo’n 3 dollar per kilo moeten kosten: ‘Slechts een handjevol merken, waaronder Tony’s Chocolonely, betaalt nu al die prijs. De rest van de merken met Fairtrade-logo betaalt te weinig om een leefbaar inkomen te kunnen verdienen.’ Dat is natuurlijk gek en niet echt fair. 

Bedrijven zeggen wel meer te willen betalen, maar alleen als ze zeker weten dat hun concurrenten dat ook doen. Voor je het weet worden ze uit de markt geprijsd. Daar hebben ze de overheid bij nodig. Ze willen dat de EU strengere en duidelijkere wetten maakt over mensenrechten in de hele cacaoketen. Als de wet het eist, dan moeten bedrijven de mensenrechten wel respecteren. Een beetje krom, maar laten we doen wat werkt.

Deze column verscheen eerder in de Volkskrant.

Deel dit verhaal