Ellende zien we liever niet. Als kind van een jaar of acht zat ik met mijn ouders in een restaurant in een grote stad in het buitenland. We hadden een tafel aan het raam. Op een gegeven moment, we hadden net iets te eten gekregen, kwam er een haveloze man voor ons staan. Buiten.
Zijn kleren waren gescheurd, zijn haren waren als een koek op zijn hoofd geplakt en hij was vuil. Hij stond daar maar: zijn hoofd tegen het raam gedrukt, nu weer richtte hij zijn blik op ons eten, dan weer probeerde hij onze ogen te vangen met zijn eigen dieptreurige ogen. We kregen geen hap door onze keel.

